Protocol
Subcutaan injecteren

Datum laatste herziening
11 december 2015
terug naar protocollen index
Eindverantwoordelijke
alle praktijkmedewerkers

NB: dit protocol geldt niet voor heparine en insuline.

Doel
Parenteraal toedienen van medicijnen op steriele wijze, onder de huid.

Achtergrondinformatie
De arts kan zo nodig de gewenste maat van de naald bepalen. Plaats van injecteren kan zijn:
  • het bovenbeen
  • de bovenarm
  • de buik rond de navel
  • de bil
Hanteer zo nodig een wisselschema.

Injecteer nooit:
  • in de buurt van grote bloedvaten;
  • in littekenweefsel;
  • op plaatsen die ontstoken of pijnlijk zijn;
  • in verlamde ledematen (bijvoorbeeld na CVA);
  • in ledematen met trombose of oedeem;
  • op plaatsen met rode of blauwe verkleuringen;
  • in een geopereerd of te opereren gebied;
  • in een hematoom;
  • op plaatsen die hard aanvoelen;
  • in een arm of been met een infuus of shunt;
  • binnen een cirkel van 4 cm rond de navel;
  • binnen een omtrek van 2 cm van de vorige injectieplaats;
  • in arm of been waarvan lymfklieren verwijderd zijn (okselkliertoilet, bijvoorbeeld na borstkanker).
Randvoorwaarden
  • Benodigdheden
    • Dienblad
    • Alcoholdoekje (bij gebruik flacon)
    • Pleister
    • Opzuignaald
    • Inspuitnaald
      • De lengte van de naald hangt af van de techniek:
        • bij loodrechttechniek wordt een kortere naald gebruikt (8 - 13 mm);
        • bij de huidplooitechniek wordt een iets langere naald gebruikt (15 - 25 mm);
        • de opdracht van de arts.
    • Spuit
    • Injectievloeistof
    • Naaldencontainer
    • Zo nodig een vijltje (bij gebruik ampul)

Voorbereiding
  • Doe sieraden af en was handen.
  • Zorg voor privacy.
  • Vertel de patiënt het doel van de handeling en wat er gaat gebeuren. Als hij of zij dit niet kan begrijpen: noem de naam van de patiënt en maak duidelijk dat er iets gaat gebeuren.
  • Leg uit dat het inbrengen van de naald pijn kan doen en dat deze pijn is te verminderen door het betreffende lichaamsdeel te ontspannen.
  • Leg alle benodigdheden binnen handbereik op een dienblad.
  • Er wordt niet geadviseerd om handschoenen te dragen omdat bij subcutaan en intramusculair injecteren de kans op bloedcontact verwaarloosbaar klein is. Wanneer de medewerker inschat dat er risico is op bloedcontact, is het aanbevolen om beschermende maatregelen te nemen en dus handschoenen te dragen.
Activiteitentabel

Activiteit
  1. Kies de juiste naald en spuit.
  1. Controleer spuit en naalden op vervaldatum en op intacte verpakking.
  1. Controleer injectievloeistof op vervaldatum, juiste medicijn, juiste dosering, juiste concentratie en juiste naam van de cliënt. Lees altijd de bijsluiter in verband met bijzonderheden van het medicijn.
  2. Benoem de patiënt wat je gaat injecteren en laat de patiënt (indien bekwaam) controleren of je het goede geeft. Wanneer dit niet mogelijk is, laat je een collega controleren.
  1. Open verpakkingen spuit en opzuignaald.
  1. Zet de naald op de spuit.
  1. Maak de injectie klaar:
    1. bij gebruik flacon:
      1. noteer op de flacon de aanprikdatum in verband met houdbaarheid;
      2. desinfecteer de gummidop van de flacon met alcoholdepper;
      3. zuig zoveel lucht op in de spuit als de hoeveelheid vloeistof die er uit gehaald gaat worden;
      4. spuit deze lucht in de flacon (bij voorkeur niet in de vloeistof i.v.m. schuimen).
    2. bij gebruik van ampul:
      1. vijl of breek de ampul open (alcoholdoekje tussen vinger en ampul;
      2. indien het medicijn nog moet worden opgelost:
        1. breek de ampul oplosmiddel open met een gaasje als bescherming;
        2. trek de juiste hoeveelheid oplosmiddel op;
        3. spuit het oplosmiddel in de flacon met het medicijn; laat de naald + spuit in de flacon zitten;
        4. schud tot het medicijn geheel is opgelost.
  1. Zuig iets meer op dan de juiste hoeveelheid vloeistof.
  1. Verwijder opzuignaald van de spuit en deponeer deze in de naaldencontainer.
  1. Verwijder de luchtbelletjes uit de spuit met de naald er op (aantikken).
  1. Controleer de juiste hoeveelheid vloeistof.
  1. Zet de inspuitnaald op de spuit. De inspuitnaald hoeft niet ontlucht te worden, gezien de verwaarloosbaar kleine hoeveelheid lucht. Verder zou er dan mogelijk irriterende vloeistof aan de buitenkant van de naald kunnen zitten.
  1. Leg in het bekkentje:
    1. spuit met naald (met naald in hoesje)
    2. gebruikte flacon of ampul
    3. pleister
    4. naaldencontainer
  1. Ga naar de patiënt.
  1. Laat de patiënt liggen of zitten.
  1. Bepaal nauwkeurig de plaats van injecteren.
  1. Insteken van de naald:
    1. Bij de huidplooitechniek (een langere naald):
      1. Steek de naald met de opening naar boven, onder een hoek van 45°in de voet van een huidplooi, laat de huidplooi los. Controleer of de naald subcutaan zit door deze heen en weer te halen (als de naald subcutaan zit beweegt de huid niet).
    2. Bij de loodrechttechniek (een kortere naald):
      1. Steek de naald loodrecht onder een hoek van 90°in de huid.
  1. Trek de zuiger iets terug om de controleren of de naald in een bloedvat zit. In dat geval: de naald verwijderen en opnieuw beginnen.
  1. Spuit de vloeistof langzaam in.
  1. Let op de reactie van de patiënt.
  1. Verwijder de naald snel.
  1. Druk de insteekopening af met het watje en wrijf richting hart.
  1. Doe de naald zonder deze aan te raken in de naaldencontainer.
  1. Plak zo nodig een pleister op de insteekopening.
  1. Evalueer zo mogelijk de handeling met de patiënt.
  1. Breng de patiënt in de voorafgaande situatie.
  1. Ruim alles op.
  1. Handen wassen.
  1. Noteer in het dossier (of ander afgesproken plaats) dat de injectie gegeven is.
  1. Mogelijke complicaties:
    1. Ontstekingen
    2. Bloedinkjes
Registreer complicaties altijd in het dossier en meld ze aan de arts.